2 februari 2015

Rosa en Fred

“Rosa!” Fred loopt de voordeur uit, sleutelbos voor zich uit. “Roos, je sleutels!!” roept hij haar na. Buiten gekomen is de straat al leeg. Snel pakt hij zijn telefoon en belt haar nummer. In huis klinkt hondengeblaf: Rosa’s favoriete beltoon. Met een zucht van ergernis draait hij zich om, loopt terug naar binnen en gooit de sleutels op tafel. Ongeveer de duizendste keer is dit!
En terwijl hij het denkt wordt hij kalm, ontroerd zelfs. Rosa……. Dit is óók de vrouw waar hij ooit verliefd op werd. De vrouw waar hij als een blok voor viel, de eerste minuut dat hij haar zag. Ze zat op het trapje in het portiek van de buurman, een vroeg zonnetje viel over haar optimistisch blote benen. Witte blote winterbenen, maar oh, wat waren ze prachtig tot en met de knokige enkels en de paarse pumps. Een groene jurk golfde over haar jonge dijen en zakte een beetje richting heupen. Haar reebruine haar hing over de stadsplattegrond op haar knieën waar ze geconcentreerd op tuurde. Fred stond stil en vroeg wat ze zocht en of hij kon helpen. Langzaam keek ze op en hij wist: zijn leven zou nooit meer hetzelfde zijn.

20 januari 2015

Richard Frederiks

Met mijn vinger al voor de tweede keer bij de bel hoorde ik opeens wat gescharrel en de deur ging open. Dat wil zeggen, er kwam beweging in. Ik was onbewust al begonnen met naar binnen lopen, maar hield me in. Langzaam week de deur en zonder hem nog te hebben gezien groeide er spanning in mijn keel. Daar stond hij, de klink nog in de hand. ‘Hallo, meneer Frederiks..’ Het leek of zijn ogen niks zagen, en mijn begroeting hing ongehoord tussen ons in. ’Goeiemorgen!’, probeerde ik nogmaals met een kleine stap in zijn richting: ‘Goeiemorgen!.. Richard?!’ Een licht knipperen van z’n ogen bij z’n voornaam, en opeens was hij er: ‘Oh, dag Bert, goeiemorgen’. En vervolgens, na toch nog een iets te lange pauze: ‘kom binnen!’

In de huiskamer stond het bed in de hoogste stand, waardoor zijn toch al dominante vrouw de uitstraling van een godfather kreeg. ‘Het is Sacha’, zei Richard, ‘hij doet raar’. Sacha was de naam van de rode kater. ‘Goeiemorgen mevrouw Frederiks’, groette ik zonder antwoord te verwachten. Mevrouw Frederiks leed al jaren aan een ernstige vorm van afasie, al lang voordat ze lichamelijk zo snel achteruit was gegaan. De gloeiende kooltjes die haar ogen als altijd waren, schoten slechts vluchtig mijn kant op. Dat dacht ik tenminste. Want onverwacht fel begon ze opeens te brommen, reutelde slijmbellen op haar lippen en dwong me naar haar te blijven kijken. ‘Het is Sacha’, zei meneer Frederiks nogmaals. ‘Het bed kan niet meer omlaag’. Hij was in de haldeur blijven staan, leek bijna weer opnieuw te verstarren.
De spanning in mijn keel steeg verder. Mijn blik gleed snel rond: koffiekopjes half leeg, een bordje met verdroogde stukjes vlees en groente. Op het aanrecht open pannetjes, de afzuigkap luidruchtig op stand drie. Het was tien uur in de ochtend…
Een plotselinge paniek deed me bukken en daar zag ik Sacha. Dat dacht ik tenminste. De kat had een muis in z’n bek, dat wel, maar verder ontbrak alles. Er was alleen die blik van Sacha en in z’n bek hing die muis, bewegingloos. Sacha, of tenminste, dit stukje Sacha zat klem tussen het schaarmechaniek van het hoog-laagbed. ‘Waar is de rest?’ Ik keek op en volgde de beweging van Richards hoofd richting tuindeur. ‘Mijn vrouw heeft vaak koude voeten en Sacha warmt die dan op. Maar hij wilde niet komen en ik kreeg hem niet onder het bed vandaan. Hoe laag of hoog ook, hij bleef zitten en toen was ik het opeens zat en pakte hem bij z’n poten en toen was alles bloed’. Ja, dat laatste was me al opgevallen. Sacha was in weerwil van zijn buit vakkundig onthoofd, per ongeluk weliswaar. En nu hing hij, zonder z’n kop, aan de waslijn.
‘Ik heb hem schoongemaakt. Hij moet nu eerst drogen, want anders wordt het dekbed nat’. De kreten van mevrouw Frederiks waren verstomd, haar ogen schoten onverminderd vuur; haar man sprak weliswaar, maar hij verroerde geen vin. Ik kreeg het koud.

Zonder aarzeling wendde ik me tot Richard Frederiks. ‘Mag ik er even langs, want ik moet zo langzaamaan voortmaken’ en liep om hem heen de hal in. ‘Ik moet ook nog naar Willem de Jonghe, hij verwacht me tegen half elf.’ Met de klink al in de hand riep ik monter ‘Fijne dag nog! Tot ziens’, trok de voordeur met een ferme ruk achter me dicht en stapte het tuinpad op. Het was lente, typisch zo’n onbezonnen eerste voorjaarsdag. Hier en daar een wolkje, hier en daar een ontluikende bloesem en zo’n geur van ‘hè, ja!’ in de lucht.
Op naar Willem de Jonghe, die heeft altijd lekkere koffie! Dat dacht ik tenminste.

3 januari 2015

Hugo en Rosa

Ze draaide zich om en fladderde weg. Hugo schrok op door de zachte beweging en keek haar na tot ze uit zijn zicht verdween. Toen zette hij z’n kraag nog wat hoger en liep stevig door, tegen de gure miezer in. ‘Als haar vleugeltjes maar niet te nat worden’, dacht hij nog, glimlachend. Opeens stopte hij. Die frêle breekbaarheid in haar uitstraling… Het  had hem vol in de kern geraakt.

De miezer ging over in regen. ‘Oké’. ‘Precies’. Hij keerde abrupt om liep weer terug, de hoek om en de boekenwinkel binnen, rechtstreeks op de koffietafel af. Gelukkig, ze zat er nog. Zonder aarzelen bukte hij en vroeg: “Mag ik even bij je komen zitten?”. Langzaam keek ze op, en de uitdrukking in haar ogen was een mengeling van verwarring en verbazing. Een mooie vrouw, een ontzettend mooie vrouw. Aandachtig, dromerig, uitgesproken. Gevoelig en tegelijk kordaat. “Uhh, ja natuurlijk”, antwoordde ze wat aarzelend. “Lees maar rustig door hoor”, hoorde Hugo zichzelf zeggen, “Ik wil je niet storen, maar wel graag even bij je komen zitten”. Een moment bleef het stil, net lang genoeg voor Hugo om zichzelf voor de kop te slaan, maar toen brak haar gezicht open. “Nou, je stoort echt niet hoor!”, zei ze glimlachend. Hij lachte opgelucht terug en zette zijn paraplu tegen de stoel, bedacht zich toen: “Hoewel, ik heb eigenlijk erge zin in koffie, zal ik voor jou ook wat meebrengen?” Een cappuccino zou ze heel lekker vinden, ja. Dat dacht hij al, en keerde zich weer om.

Rosa keek hem na. ‘Wauw, wat overkomt me nu dan toch?’  Zijn rechte rug bij de balie, rustig en toch ook schuchter. Een leuke jonge meid reikte hem lachend de koffie aan, terwijl hij onhandig stond te hannesen met het wisselgeld. Rosa werd warm en voelde haar blos opgloeien. En schrok. Hoe laat was het eigenlijk? Nergens in de winkel een klok te bekennen. En daar kwam de verrassingen man al weer aan, balancerend met twee schuimende kopjes. ‘Ach wat’, dacht ze, en gaf zich over.

 

27 december 2014

Geloof jij in Elfjes 2

‘Geloof jij in elfjes?’ vroeg ze.

‘Mmhhh?’, hij keek op van z’n tablet, halverwege het lezen van een net geopende mail en nog een nare ook. Maar er zat iets in haar stem… Ze keek hem aan, haar ogen half geloken. Een vage glimlach hing rond haar lippen. Heel rustig zat ze daar, maar het greep hem naar de keel. Ze sloeg haar ogen neer en trok een beetje met haar schouder. Niet schokkerig of zo, het was eerder een zweem van beweging dan dat hij het echt zag. ‘Geloof jij in elfjes?’ vroeg ze nog een keer en ze keek hem weer aan, dringend nu. Zijn adem stokte. Opeens moest hij enorm lachen, geweldig, wat had ze hem tuk, ‘Nee, natuurlijk niet!’ lachte hij. Ze keek van hem weg en even was het stil. ‘Ik wel’, zei ze toen en ze draaide zich om en fladderde weg.

24 december 2014

Geloof jij in Elfjes?

‘Hoe lang is het nou geleden?’ vroeg ze.
‘Nog niet zo lang, een jaar of drie ongeveer. November meen ik. Het was eind van de middag en al behoorlijk schemerig. Guur ook, de winter hing in de lucht.’
Hij sloot z’n ogen. De weldaad van haar handen over zijn hoofd. Functioneel natuurlijk, maar er was weinig voor nodig om de gerichte gebaren als strelingen te ervaren. Misschien raakte ze hem niet eens echt aan, toch voelde hij het tot in z’n botten. Een zachte kreun ontsnapte hem. Oei, had ze het gehoord? Die lichte glimlach rond haar lippen?
Ach, hij zou de enige wel niet zijn.
‘Ik weet nog dat ik mijn voorlicht recht duwde, want dat zakte steeds omlaag’, ging hij verder. Zijn ogen sloten zich weer. ‘En daarna niks meer. Ook de val niet, raar genoeg. Het enige wat ik me herinner is dat ik ergens in de verte licht zag. Heel ver, heel klein, en het werd nauwelijks groter toen ik dichterbij kwam. Het leken kilometers voordat ik er was. Een heel klein raampje in een massieve deur. Die vervolgens zonder kracht of moeite openging. Binnen de gloed van kaarslicht, warm en aangenaam. Er zaten mensen rond een tafel en anderen liepen rond. Niemand zei wat tegen me, maar opeens klopte alles: ik hoorde erbij en was welkom. Het had de sfeer van een blokhut, maar het voelde als een zomertuin.’
Haar hand gleed langs zijn wang en slaap. Zacht veegde ze een paar keer door zijn haar. Waarom vertelde hij dat nou allemaal? Wat was het toch makkelijk om je te laten gaan bij een vreemde. Heerlijk eigenlijk, net als haar handen.
Opeens blies ze zacht in zijn nek. ‘Zo’, zei ze en borstelde de laatste haartjes weg. Met tegenzin sloeg hij zijn ogen weer op en keek haar aan in de spiegel. Weer die glimlach. En weer die weldaad…
Toen zag hij het: licht, bijna ijl staken ze een beetje boven haar schouders uit.
‘Geloof jij in elfjes?’ vroeg ze.